opzeggen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·zeg·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opzeggen
zei op
zegde op
opgezegd
zwak -d volledig

Werkwoord

opzeggen

  1. overgankelijk mededelen dat men een eerdere overeenkomst beëindigt
    • We kunnen die overeenkomst pas volgend jaar opzeggen. 
  2. overgankelijk iets wat men uit het hoofd geleerd heeft laten horen
    • Wij moesten vroeger iedere maandag een versje opzeggen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.