opvrijen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·vrij·en
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opvrijen
vree op
vrijde op
opgevreeën
opgevrijd
klasse 1

zwak -d

volledig

Werkwoord

opvrijen [1]

  1. overgankelijk de partner in de stemming brengen
  2. overgankelijk trachten iets gedaan te krijgen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen