opvreter
Uiterlijk
- op·vre·ter
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | opvreter | opvreters |
| verkleinwoord | opvretertje | opvretertjes |
de opvreter m
- iemand die op kosten van een ander leeft, profiteur, parasiet, klaploper, uitvreter
- iemand die zijn gevoelens niet uit en zich dus opvreet van bijvoorbeeld woede, binnenvetter
- De opvreter zat met samengebalde vuisten en samengeknepen lippen naar het nieuws te kijken.
- Het woord 'opvreter' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "opvreter" herkend door:
| 85 % | van de Nederlanders; |
| 82 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ opvreter op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be