opvoeder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·voe·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord opvoeder opvoeders
verkleinwoord opvoedertje opvoedertjes

Zelfstandig naamwoord

opvoeder m

  1. (beroep) iemand die een kind leert hoe het zich moet gedragen en zorgt dat het opgroeit door het eten te geven
    • Het werk van een opvoeder is een werkje van langdurige adem dat veel geduld vereist. 
Synoniemen
  1. voogd, mentor, ouder
Hyponiemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be