opvarende

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·va·ren·de
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van opvarend met met het achtervoegsel -e.
enkelvoud meervoud
naamwoord opvarende opvarenden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

opvarende v/m

  1. iemand die op een schip vaart
    De geredde opvarenden zijn aan wal gezet.