opvarende

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·va·ren·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord opvarende opvarenden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

opvarende v/m

  1. iemand die op een schip vaart
    • De geredde opvarenden zijn aan wal gezet. 

Werkwoord

vervoeging van
opvaren

opvarende

  1. verbogen vorm van het onvoltooid deelwoord van opvaren

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.