opvallen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·val·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opvallen
/'ɔpfɑlə(n)/
viel op
/vil'ʔɔp/
opgevallen
/'ɔpxəvɑlə(n)
/'ɔpχəvɑlə(n)/
klasse 7 volledig

Werkwoord

opvallen

  1. ergatief gemakkelijk opgemerkt worden, opzien baren
    • Het grote verschil met het vorig jaar viel iedereen onmiddellijk op. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.