optree

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·tree
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord optree
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

optree v/m

  1. de hoogte van een traptrede
Synoniemen

Gangbaarheid

27 % van de Nederlanders;
31 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be