optie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·tie
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vrije keus’ voor het eerst aangetroffen in 1531 [1]
  • van het Frans [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord optie opties
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

optie v

  1. een van de keuzes die gemaakt kan worden
    • Aftreden is voor hem geen optie. 
    • Het contract heeft een looptijd van vier jaar met een optie voor verlenging van twee jaar. 
  2. (economie) een contract dat de houder het recht geeft een bepaald goed te kopen of te verkopen tegen een vooraf bepaalde prijs
    • Het bedrijf heeft een optie genomen op het terrein. 
    • De bestuursvoorzitter heeft opties uitgeoefend. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen