Naar inhoud springen

optassen

Uit WikiWoordenboek
  • op·tas·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
optassen
taste op
opgetast
zwak -t volledig

optassen

  1. overgankelijk in een hoge stapel verzamelen
    • Binnen achter het raam was onze veilige plaats - niet in het minst omdat we zijn vloeken dan niet konden horen. Koolstof, zweet, houtspaanders en geweldige dreunen, plus naderhand een grote berg klein hout die wij moesten optassen in de achterste stal, waar ook het varken stond. [3]
  2. ditransitief (verouderd) iemand met iets zwaars belasten (zowel letterlijk als figuurlijk)
    • Hij wierp het wachterambt op vreemd en muitziek graauw,
      Te lang hem opgetast heur voor de voeten neder.
       [4]
39 %van de Nederlanders;
37 %van de Vlamingen.[5]