opspraak

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·spraak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord opspraak -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

opspraak v/m

  1. publieke discussie, gewoonlijk in afkeurende zin
    • Meent ze dat ze boven de opspraak is verheven? 
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • in opspraak komen
publieke kritiek te verduren krijgen; in een schandaal verwikkeld raken

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.