opsoupeer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·sou·peer

Werkwoord

vervoeging van
opsouperen

opsoupeer

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opsouperen
    • ... dat ik opsoupeer.