opsommen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·som·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opsommen
somde op
opgesomd
zwak -d volledig

Werkwoord

opsommen

  1. overgankelijk achter elkaar opnoemen
    • Hij kon zo alle Duitse automerken opsommen. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.