opsmuk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·smuk

Werkwoord

vervoeging van
opsmukken

opsmuk

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opsmukken
    • ... dat ik opsmuk. 

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.