oproer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·roer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oproer oproeren
verkleinwoord oproertje oproertjes

Zelfstandig naamwoord

oproer o

  1. is het plaatselijk in verzet komen tegen een autoriteit.
    Het oproer kraait.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
oproeren

oproer

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oproeren
    ... dat ik oproer.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl