oprichter

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·rich·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oprichter oprichters
verkleinwoord oprichtertje oprichtertjes

Zelfstandig naamwoord

oprichter m

  1. (handel) iemand die een activiteit is gestart
    • Albert Heijn was de oprichter van AH..  
    • Pim Fortuyn was de oprichter van de lijst Fortijn.  
Synoniemen
  1. aanstichter, grondlegger, grondvester, stamvader

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be