oprakelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·ra·ke·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
oprakelen
rakelde op
opgerakeld
zwak -d volledig

Werkwoord

oprakelen

  1. overgankelijk het vuur feller doen branden door erin te poken
    • Hij rakelde het dovende vuur op. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.