oppassend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·pas·send
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van: oppassen
verbogen vorm: oppassende

oppassend

  1. onvoltooid deelwoord van oppassen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen oppassend oppassender oppassendst
verbogen oppassende oppassendere oppassendste
partitief oppassends oppassenders -

Bijvoeglijk naamwoord

oppassend

  1. zich welbewust volgens de regels van de samenleving gedragend
    • Wat wilde die moeder van 'm? Dat-ie een oppassend mens in de middenstand zou worden - Muziek, literatuur - daar kon je volgens haar niet van leven. [2]
Synoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen