opmonteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·mon·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opmonteren
monterde op
opgemonterd
zwak -d volledig

Werkwoord

opmonteren

  1. (overgankelijk) opvrolijken, animeren
    Zij trachtte hem op te monteren.
  2. (ergatief) vrolijker worden, in een betere stemming komen
    Hij was weer helemaal opgemonterd.
Vertalingen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.