oplost

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·lost

Werkwoord

vervoeging van
oplossen

oplost

  1. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oplossen
    • ... dat jij oplost. 
  2. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oplossen
    • ... dat hij oplost.