opleving

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·le·ving
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord opleving oplevingen
verkleinwoord oplevinkje oplevinkjes

Zelfstandig naamwoord

opleving v

  1. een periode van hernieuwde sterkte
    • Er was duidelijk een opleving in de belangstelling te bespeuren. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.