opkrikken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·krik·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opkrikken
krikte op
opgekrikt
zwak -t volledig

Werkwoord

opkrikken

  1. overgankelijk met behulp van een krik van de grond opheffen
    • De auto werd opgekrikt en de lekke band vervangen. 
  2. overgankelijk overdrachtelijk: met een kunstgreep wat meer leven in iets brengen
    • De reclamecampagne krikte de verkoopcijfers weer wat op, maar dat was van korte duur. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.