opklimmen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·klim·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opklimmen
klom op
opgeklommen
klasse 3 volledig

Werkwoord

opklimmen

  1. ergatief een hoger punt trachten te bereiken
    • Hij was de heuvel opgeklommen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.