ophokken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·hok·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ophokken
hokte op
opgehokt
zwak -t volledig

Werkwoord

ophokken

  1. overgankelijk het binnen, in het hok houden van vee
    • pluimvee per direct opgehokt wegens vogelgriep 
    • de leraren zijn boos over de herinvoering van de 1040-urennorm, waarbij leerlingen zinloos worden opgehokt 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid