opharken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·har·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opharken
harkte op
opgeharkt
zwak -t volledig

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.

Werkwoord

opharken

  1. overgankelijk met een hark op een hoop vegen
    • Hij had al heel wat bladeren opgeharkt. 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders
92 % van de Vlamingen.