opgeworpen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·ge·wor·pen
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen opgeworpen
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

opgeworpen

  1. ter sprake gebracht
    • Het opgeworpen plan werd direct verworpen. 

Werkwoord

vervoeging van
opwerpen

opgeworpen

  1. voltooid deelwoord van opwerpen

Gangbaarheid