opgewondenheid

Uit WikiWoordenboek


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·ge·won·den·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord opgewondenheid opgewondenheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

opgewondenheid v [1]

  1. het seksueel of emotioneel (te) gespannen zijn
     Het gevoel van onberedeneerde schaamte dat zij onderweg gehad had en haar opgewondenheid waren geheel verdwenen.[2]
     En als je me daar persoonlijk op aanspreekt, dan wil ik graag zeggen dat ik deze klus graag afmaak. Zonder anonieme berichten, zonder de opgewondenheid van mensen. Ik werk er ruim 30 jaar dus ik hoef mezelf helemaal niet te verantwoorden voor mijn liefde voor de publieke omroep.[3]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Anna Karenina” op Wikipedia (1877), G.A. van Oorschot op Wikipedia, ISBN 9789028276062
  3. Bronlink geraadpleegd op 26 maart 2022 Weblink bron
    Gudo Tienhooven
    “NPO-tv-baas Frans Klein: Het zijn jouw woorden dat ik overwoog naar RTL te gaan” (06-06-2018), Tubantia