opgelucht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·ge·lucht
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
opluchten

opgelucht

  1. voltooid deelwoord van opluchten
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen opgelucht opgeluchter opgeluchtst
verbogen opgeluchte opgeluchtere opgeluchtste
partitief opgeluchts opgeluchters -

Bijvoeglijk naamwoord

opgelucht

  1. verlost van de zorg dat er iets naars gaat gebeuren
    • Hij was opgelucht dat de collectie van Ruysch geen schade had geleden. [1]
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen