opfrisser

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·fris·ser
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord opfrisser opfrissers
verkleinwoord opfrissertje opfrissertjes

Zelfstandig naamwoord

opfrisser m

  1. een middel om weer afgekoeld te raken na zware inspanning
    • De koele limonade was een heerlijke opfrisser na de lange wandeling. 
    • Matt Wilkinson, auteur van Simpele Seizoenssalades, behandelt de vier seizoenen met elk dertien recepten. Voor elke week van het jaar een recept dus. Hij sluit elk seizoenshoofdstuk af met een variatie op een fruitsalade. De fruit die erin gaat, is - uiteraard - seizoensgebonden. Deze salade, prima als toetje, dient als een leuke opfrisser in koude, barre tijden. [1] 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. NRC Sam de Voogt 4 maart 2016
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be