opfleuren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·fleu·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opfleuren
fleurde op
opgefleurd
zwak -d volledig

Werkwoord

opfleuren

  1. (ergatief) er beter uit gaan zien
    Hij was na dat heerlijke weekeinde weer een stuk opgefleurd.
  2. (overgankelijk) iets er beter uit doen zien
    Zij fleurde de kamer op met wat bloemen.

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.