opereerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ope·reer·de

Werkwoord

vervoeging van
opereren

opereerde

  1. enkelvoud verleden tijd van opereren
    • Ik opereerde. 
    • Jij opereerde. 
    • Hij, zij, het opereerde.