openzetten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

de deur van de ijskast is opengezet
Uitspraak
Woordafbreking
  • open·zet·ten
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

openzetten [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
openzetten
zette open
opengezet
zwak -t volledig
  1. (met name van ramen, deuren, kranen e.d.) iets in een stand zetten dat een opening open blijft terwijl die eerst gesloten was
    • Juist nu de discussie omtrent het gasverbruik actueler dan ooit is. Het moet toch mogelijk zijn om bij een buitentemperatuur van minder dan bijv. 15 graden het openzetten van deuren te verbieden? En dan maar een nette “We zijn open” op de deur plakken. Wat zal dat door het hele land een vermindering van het gasverbruik opleveren[2] 
    • De medewerkers van de alarmcentrale vertelden hoe Joke haar dochter moest redden, maar het lukt haar niet. ’’Mijn man heeft het daarna ook geprobeerd, maar ondertussen kregen we te horen dat we de voordeur moesten openzetten. Ik dacht dat dat voor de ambulance was, maar de eerste persoon die binnenkwam was iemand uit de buurt’’[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen