openbaarheid
Uiterlijk
- open·baar·heid
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | openbaarheid | |
| verkleinwoord |
de openbaarheid v
- het zichtbaar of toegankelijk zijn voor het grote publiek
- ▸ ' Maakt hij die scherpe, confronterende opmerking met opzet, of zijn de woorden een symptoom van zijn zenuwen nu ze in de openbaarheid treden en door iedereen bekeken worden? Ze is het in elk geval niet met hem eens.[1]
- ▸ Nieuwe bestuurswaarborgen Q Qpenbaarheid van vergaderingen Qpenbaarheid van informatie Misbruik van de Wet openbaarheid van bestuur De Nationale ombudsman Referendum en volksinitiatief De Tijdelijke referendumwet Het referendum over de Europese Grondwet Het burgerinitiatief 9.[2]
- Hij vertelde in alle openbaarheid over zijn voorgenomen huwelijk.
- De discussie over de nieuwe AZC-lokaties werd in alle openbaarheid gevoerd.
- Het woord openbaarheid staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "openbaarheid" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 97 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx“Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789021809526 - ↑ Helen Stout“De Nederlandse rechtsstaat” (2015), Amsterdam University Press
, ISBN 9789048528622 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 12
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Achtervoegsel -heid in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 97 %