openbaarheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • open·baar·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord openbaarheid
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

openbaarheid v

  1. het zichtbaar of toegankelijk zijn voor het grote publiek
    • Hij vertelde in alle openbaarheid over zijn voorgenomen huwelijk. 
    • De discussie over de nieuwe AZC-lokaties werd in alle openbaarheid gevoerd. 
Synoniemen
  1. publiciteit, bekendheid, ruchtbaarheid

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be