Naar inhoud springen

openbaarheid

Uit WikiWoordenboek
  • open·baar·heid
enkelvoud meervoud
naamwoord openbaarheid
verkleinwoord

deopenbaarheidv

  1. het zichtbaar of toegankelijk zijn voor het grote publiek
     ' Maakt hij die scherpe, confronterende opmerking met opzet, of zijn de woorden een symptoom van zijn zenuwen nu ze in de openbaarheid treden en door iedereen bekeken worden? Ze is het in elk geval niet met hem eens.[1]
     Nieuwe bestuurswaarborgen Q Qpenbaarheid van vergaderingen Qpenbaarheid van informatie Misbruik van de Wet openbaarheid van bestuur De Nationale ombudsman Referendum en volksinitiatief De Tijdelijke referendumwet Het referendum over de Europese Grondwet Het burgerinitiatief 9.[2]
    • Hij vertelde in alle openbaarheid over zijn voorgenomen huwelijk. 
    • De discussie over de nieuwe AZC-lokaties werd in alle openbaarheid gevoerd. 
  1. publiciteit, bekendheid, ruchtbaarheid
99 %van de Nederlanders;
97 %van de Vlamingen.[3]
  1. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  2. Helen Stout
    “De Nederlandse rechtsstaat” (2015), Amsterdam University Press op Wikipedia, ISBN 9789048528622
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be