opdweilen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·dwei·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opdweilen
dweilde op
opgedweild
zwak -d volledig

Werkwoord

opdweilen

  1. overgankelijk nattigheid met behulp van een dweil opnemen
    • Hij had het gemorste water nog niet opgedweild of er viel nog een emmer om. 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.