opduikt

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·duikt

Werkwoord

vervoeging van
opduiken

opduikt

  1. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opduiken
    • ... dat jij opduikt. 
  2. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opduiken
    • ... dat hij opduikt.