opduiken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·dui·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opduiken
dook op
opgedoken
klasse 2 volledig

Werkwoord

opduiken

  1. ergatief weer aan het oppervlak zichtbaar worden na ondergedoken geweest te zijn
    • De pinguïn dook weer op met een visje in zijn bek. 
  2. overgankelijk door duiken iets uit de diepte naar boven halen
    • Zij doken een Griekse amfoor op tijdens hun vakantie aan de Egeïsche kust. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.