opdruk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·druk
enkelvoud meervoud
naamwoord opdruk opdrukken
verkleinwoord opdrukje opdrukjes

Zelfstandig naamwoord

opdruk m

  1. een op een doek of verpakking door drukken aangebrachte tekst
  2. (sport) een oefening waarbij men het lichaam met de handen van de grond opdrukt
  3. (muziek) het verhogen van de toon van een snaarinstrument, met name een elektrische gitaar, door een snaar enigszins te verbuigen
  4. zware trein die op een heuvel of ander lastig traject door een extra locomotief geduwd wordt

Werkwoord

vervoeging van
opdrukken

opdruk

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opdrukken
    • ... dat ik opdruk. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be