opdreggen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·dreg·gen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

opdreggen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opdreggen
dregde op
opgedregd
zwak -d volledig
  1. van onder het wateroppervlak weer naar boven halen
     De daders vluchtten op de motorscooter, die de politie later zou opdreggen uit de Kostverlorenvaart - een zwarte Piaggio Beverly. Verscheidene getuigen hadden de mannen zien rijden, de bijrijder met de kalasjnikov tussen zijn benen.[2]
     Ook het opdreggen van lichamen, onder meer na fatale auto- of bedrijfsongevallen, behoort tot het takenpakket.[3]
Synoniemen

Gangbaarheid

61 % van de Nederlanders;
35 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Maarten van Dun en Paul Vugts “Oplossing liquidatie van onschuldige man in West dichtbij” (9 december 2017,), Het Parool
  3. Bronlink Weblink bron Dick den Braber “Rotterdamse havenmannen van het jaar” (08-03-2017), Reformatorisch Dagblad