opdeelden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·deel·den

Werkwoord

vervoeging van
opdelen

opdeelden

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van opdelen
    • ...dat wij opdeelden. 
    • ...dat jullie opdeelden. 
    • ...dat zij opdeelden.