opbruisen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·brui·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opbruisen
bruiste op
opgebruist
zwak -t volledig

Werkwoord

opbruisen

  1. ergatief door vorming van uiteenspattende gasbellen in volume toenemen
    • Hij voegde wat water toe aan het poedervormige mengsel van citroenzuur en dubbelkoolzure soda en zag het opbruisen. 

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.