opborrelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·bor·re·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opborrelen
borrelde op
opgeborreld
zwak -d volledig

Werkwoord

opborrelen

  1. ergatief het naar boven komen van gasbellen door een vloeistof
    • Er was weer veel stinkend gas opgeborreld uit het vervuilde kanaal. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.