opbloei

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·bloei

Werkwoord

vervoeging van
opbloeien

opbloei

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van opbloeien
    • ... dat ik opbloei. 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.