opbieden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·bie·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opbieden
bood op
opgeboden
klasse 2 volledig

Werkwoord

opbieden

  1. inergatief telkens een ander met een hoger bod overtreffen
    • Zij boden flink tegen elkaar op en de prijs werd daardoor almaar hoger. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.