opbergkast

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·berg·kast
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord opbergkast opbergkasten
verkleinwoord opbergkastje opbergkastjes

Zelfstandig naamwoord

opbergkast v/m

  1. een groot meubelstuk waarin men veel spullen kan stoppen die men niet vaak nodig heeft
    • In de garage hebben we een aantal opbergkasten waarin o.a. de kerstspullen zitten. 

Gangbaarheid