opbaren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·ba·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opbaren
baarde op
opgebaard
zwak -d volledig

Werkwoord

opbaren

  1. overgankelijk een overledene klaarleggen voor het afscheidnemen door familie en anderen
    • Hij werd opgebaard in het uitvaartcentrum. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie