oorlogvoerend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oor·log·voe·rend

Werkwoord

vervoeging van: oorlog voeren
verbogen vorm: oorlogvoerende

oorlogvoerend

  1. onvoltooid deelwoord van oorlog voeren
stellend
onverbogen oorlogvoerend
verbogen oorlogvoerende
partitief oorlogvoerends

Bijvoeglijk naamwoord

oorlogvoerend

  1. als land verwikkeld zijnd in een gewapend conflict
    • "De Olympische Spelen bieden oorlogvoerende partijen de gelegenheid om eens goed naar de gevolgen van hun vernietigende daden te kijken en om eens na te denken over andere mogelijkheden om conflicten op te lossen", zei Annan. [1] 
    • De beelden zijn volgens Bosch gemaakt toen de feministe op rondreis was langs alle premiers en ministers van Buitenlandse Zaken van de oorlogvoerende landen. [2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen