oorlogszuchtig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oor·log·zuch·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen oorlogszuchtig oorlogszuchtiger oorlogszuchtigst
verbogen oorlogszuchtige oorlogszuchtigere oorlogszuchtigste
partitief oorlogszuchtigs oorlogszuchtigers -


Bijvoeglijk naamwoord

oorlogszuchtig

  1. met de wil en neiging om oorlog te voeren
    • De oorlogszuchtige koning wilde eeuwigdurende eer verwerven op het slagveld.