Naar inhoud springen

oordjedood

Uit WikiWoordenboek
  • oord·je·dood
enkelvoud meervoud
naamwoord oordjedood -
verkleinwoord - -

deoordjedoodm

  1. (persoon) (verouderd) (scheldwoord) (pejoratief) iemand die erg gierig is
      Hij was voorwaar geen oordjedood
    Als sommige rijke heeren,
    Maar wat hem wekelijks overschoot,
    Dat ging hij niet verteren.
    [3]
  • oordjedood spelen
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. oordjedood op website: Etymologiebank.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 19 juli 2025 Weblink bron “Liederen. : Van den lapper.” (1868), J.B. Wolters, Groningen / J.W. Marchand en Co, Antwerpen, p. 40