oordjedood
Uiterlijk
- Geluid: oordjedood (hulp, bestand)
- IPA: / ˈorcəˌdot / (3 lettergrepen)
- oord·je·dood
- samenstelling van oordje zn "munt van geringe waarde" en dood bn "overleden" : "doodsbenauwd voor verlies van zelfs maar een klein bedrag" [1] [2]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | oordjedood | - |
| verkleinwoord | - | - |
de oordjedood m
- (persoon) (verouderd) (scheldwoord) (pejoratief) iemand die erg gierig is
- oordjedood spelen
- Het woord 'oordjedood' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ oordjedood op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Weblink bron “Liederen. : Van den lapper.” (1868), J.B. Wolters, Groningen / J.W. Marchand en Co, Antwerpen, p. 40
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 10
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Persoon in het Nederlands
- Verouderd in het Nederlands
- Scheldwoord in het Nederlands
- Pejoratief in het Nederlands
- Niet in Woordenlijst Nederlandse Taal