onzekerheid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ze·ker·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord onzekerheid onzekerheden
verkleinwoord onzekerheidje onzekerheidjes

Zelfstandig naamwoord

onzekerheid v

  1. het niet (helemaal) zeker zijn
    Hij twijfelt altijd want hij heeft last van te grote onzekerheid.
  2. de mate waarin meting en het gemetene van elkaar kunnen afwijkingen
    Hij is 1.80 meter lang met een onzekerheid van 1 cm.
Synoniemen
  1. twijfeling, broosheid, schuchterheid
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie