onzekerheid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ze·ker·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord onzekerheid onzekerheden
verkleinwoord onzekerheidje onzekerheidjes

Zelfstandig naamwoord

onzekerheid v

  1. het niet (helemaal) zeker zijn
    • Hij twijfelt altijd want hij heeft last van te grote onzekerheid. 
  2. de mate waarin meting en het gemetene van elkaar kunnen afwijkingen
    • Hij is 1.80 meter lang met een onzekerheid van 1 cm. 
Synoniemen
  1. twijfeling, broosheid, schuchterheid
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie