onwil

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·wil
Woordherkomst en -opbouw
  • afleiding van wil met het voorvoegsel on-
enkelvoud meervoud
naamwoord onwil
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

onwil m [1]

  1. het niet uitvoeren van een opdracht (met name als het gaat over kinderen en werknemers)
  2. het de keuze maken om niet mee te werken
    • De felle, vaak gewelddadige tegenstand die hun bewegingen ondervonden van de autoriteiten en sommige bevolkingsgroepen ging terug op dezelfde constanten: angst voor verlies van controle, woede over het ontwaakte zelfbewustzijn van mensen die ‘hun plaats’ niet meer kenden, agressie uit schuldbewustzijn over het stilzwijgend accepteren van onrecht en de bange verwachting dat er hel en verdoemenis zou uitbreken wanneer de ‘ander’ de macht zou overnemen. Daaronder: het onvermogen of de onwil om in de ander werkelijk een gelijke te zien. [2] 
    • Senioren die hun woning willen aanpassen om langer zelfstandig te kunnen blijven wonen stuiten vaak op de onwil van de bank om een lening te verstrekken. [3] 
    • De zaak is uiteindelijk opgelost via het zogenoemde voertuigketenoverleg. Daarin werken vertegenwoordigers samen van onder meer de Rijksdienst voor het Wegverkeer, de Belastingdienst en het Centraal Justitieel Incassobureau om schrijnende gevallen als dat van Thierry Ober op te lossen, zegt een RDW-woordvoerder. Het aantal schrijnende bespreekgevallen neemt toe, zegt hij: van 29 in 2010 tot 250 in 2014. Het gaan dan om mensen die meer uit onmacht dan uit onwil als wanbetaler te boek staan. [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard ZATERDAG 9 SEPTEMBER 2017
  3. Tubantia Ronald Vrugteman 08-augustus-2017
  4. NRC Ingmar Vriesema 28 april 2015
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be