onwettig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·wet·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onwettig onwettiger onwettigst
verbogen onwettige onwettigere onwettigste
partitief onwettigs onwettigers -

Bijvoeglijk naamwoord

onwettig

  1. in strijd met de wet
    • Dat is een onwettige handeling. 
     Onze complete misdadigheid beperkte zich tot onwettig affiches ophangen, demonstreren zonder politietoestemming, ongehoorzaamheid ten opzichte van de politie, scheldwoorden ((belediging') gericht tegen dezelfde politie gepaard aan gewelddadig verzet wanneer de agenten optraden tegen de scheldwoorden.[1]
  2. buiten het huwelijk geboren
    • De koning had alleen maar onwettige kinderen en daardoor ontstond er bij zijn dood een strijd om de opvolging. 
  1.  Onze complete misdadigheid beperkte zich tot onwettig affiches ophangen, demonstreren zonder politietoestemming, ongehoorzaamheid ten opzichte van de politie, scheldwoorden ((belediging') gericht tegen dezelfde politie gepaard aan gewelddadig verzet wanneer de agenten optraden tegen de scheldwoorden.[1]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. 1,0 1,1 Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “1968, De grote eeuw deel 7” (2017), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044633535
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Afrikaans

stellend attributief
onwettig onwettige

Bijvoeglijk naamwoord

onwettig

  1. onwettig